Voortgangsonderzoek: aanpak van voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie (eindrapport)

M. van der Gaag, N. R. Snell, G. Bron, A. C. Emerencia, F. J. Blaauw, I. Heemskerk, R. Petit, E. S. Kunnen, P. de Jonge.

Nov 30, 2018

Abstract

Met dit onderzoek is in kaart gebracht wat de voortgang en ervaren effecten zijn van de beleidsaanpak van voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie, ook wel de ‘vervolgaanpak’ genoemd. Deze vervolgaanpak wordt per 1 januari 2019 officieel verankerd in de wetgeving, maar vooruitlopend hierop zijn er met de regio’s al afspraken gemaakt om de nieuwe beleidsmaatregelen te implementeren. De voortgang hiervan is in het huidige onderzoek geëvalueerd. Dit hebben wij gedaan door een vragenlijst en interviews af te nemen onder RMC-coördinatoren, scholen, Ingrado, de MBO-raad, G40 en accountmanagers van het ministerie van OCW.

Uit onze resultaten komt naar voren dat de beleidsmaatregelen vaak een grote en positieve impact hebben op de werkzaamheden van scholen en RMC’s. De meesten van hen hebben het idee dat ze nu meer kwaliteit kunnen leveren. Belangrijke maatregelen zijn goed opgepakt binnen de regio’s: men noemt dat er meer samenwerking is gekomen, dat het RMC een grotere rol heeft gekregen in de regio en dat er meer aandacht is voor jongeren in een kwetsbare positie.

Er zijn ook uitdagingen. Zo ervaren met name RMC-coördinatoren van contactgemeenten een verhoging van de werkdruk doordat de nieuwe rol van het RMC ook nieuwe taken met zich meebrengt. Deze taken vereisen nieuwe vaardigheden waardoor RMC-coördinatoren het soms nog lastig vinden om deze taken op te pakken. Dit gaat met name om het coördineren van de regionale samenwerking. Daarnaast is het monitoren van jongeren in een kwetsbare positie vaak nog niet goed mogelijk door conflicterende wetgeving, bijvoorbeeld doordat er het nog niet mogelijk is om gegevens uit te wisselen tussen verschillende instanties. Veel partijen denken echter wel dat er in hun regio een vangnet van goede kwaliteit is voor jongeren in een kwetsbare positie.

Men signaleert veelvuldig dat een uitbreiding van de doelgroep gewenst is in zowel leeftijd (naar 27) als type (niet alleen voortijdig schoolverlaters en jongeren in een kwetsbare positie, maar alle jongeren). Op regionaal niveau werken de huidige strakke grenzen tussen doelgroepen niet en wil men zich meer bezighouden met wat jongeren nodig hebben, ongeacht de categorie waar ze in zitten. Hierbij is de startkwalificatie geen einddoel, maar gaat het veel meer om het bereiken van participatie. Deze wens lijkt echter te conflicteren met de nu al hoge werkdruk en een ervaren gebrek aan (structurele) financiële middelen, en hier ligt voor het landelijk beleid een belangrijk dilemma om op te lossen.

Het gaat behoorlijk goed met de regionale samenwerking, vooral tussen RMC en scholen. Zij werken veel samen en ervaren dit vaak als positief. Het RMC werkt ook met andere partijen veel samen, zoals zorg en arbeid, en neemt daarmee de nieuwe rol goed op zich. Het blijkt in sommige regio’s echter lastig om arbeid en met name zorg te betrekken. Dit heeft onder andere te maken met verschillen in regio-indelingen van RMC, arbeid en zorg. Bij het betrekken van de zorg speelt ook dat het voor RMC’s moeilijk is om te bepalen met welke zorgpartijen ze in zee moeten gaan.

Omgaan met de complexe realiteit van veel jongeren vereist een overkoepelend beleid en een vervaging van de grenzen tussen de verschillende beleidsdomeinen. Scholen en gemeenten wensen dan ook veelvuldig dat er ontschot wordt, onder andere door het stroomlijnen van wet- en regelgeving en het faciliteren van samenwerking tussen de verschillende domeinen. De deelnemers verschillen echter in hun visie hoe de samenwerking het beste gefaciliteerd kan worden. Sommige RMC’s en scholen geven aan dat ze meer tijd willen om de samenwerking zelfstandig vorm te geven, anderen willen meer sturing om de samenwerking op gang te brengen, terwijl weer anderen meer zien in een tussenweg waarbij er voornamelijk visie wordt geboden vanuit landelijk beleid.

Het verdelen van middelen binnen een regio gaat vaak goed. Daarnaast ervaart de meerderheid van de scholen voldoende financiële middelen voor de uitvoering van hun taken, en een klein deel van de gemeenten ook.

Echter, de meerderheid van de gemeenten (zowel contact als niet-contact) en iets minder dan de helft van de scholen ervaart een tekort aan financiële middelen. In regio’s waar tekorten zijn blijven er met name begeleidingstaken liggen voor jongeren in een kwetsbare positie en ook preventieve activiteiten om voortijdig schoolverlaten te voorkomen worden niet uitgevoerd.

Mogelijke oplossingen zijn het bieden van meer structurele middelen, het herverdelen van middelen, of het beter afstemmen van de verantwoordelijkheden van het RMC met de domeinen zorg, onderwijs en arbeid. Daarnaast is men, gezien de prille positie van het RMC in de regionale samenwerking, over het algemeen tegen een eventuele decentralisatie-uitkering. Dit zou de nieuwe positie van het RMC juist ondermijnen.

Scholen en gemeenten willen meer mogelijkheden om vanuit de jongeren te denken: wat heeft deze specifieke jongere nodig en hoe kunnen we hem of haar daarbij helpen? Het nieuwe beleid zet stappen in de deze richting en dat wordt als positief ervaren, maar in de visie van de regio’s kan en moet dit nog beter in de toekomst. Het is echter belangrijk om hierbij op te merken dat de wetgeving omtrent de vervolgaanpak nog niet van kracht is en men nog volop bezig is om de nieuwe werkwijze te implementeren en samenwerkingen op te zetten. Men vraagt om tijd en ruimte om dit uit te laten kristalliseren.